Reisbevoegd

In vinnig Hebreeuws word ik een kamertje in gedirigeerd. Als blijkt dat ik haar niet versta gaat ze geïrriteerd over in vloeiend Engels. Wie ik ben, wat ik doe, wie mijn familie is en vooral: waarom ik Israel in wil. Bij de antwoorden ‘student’ en ‘schrijver’ schieten haar wenkbrauwen iets omhoog. Via matglas zie ik mijn vriend in het kamertje ernaast. Schamper lachend haalden ze ons uit elkaar toen bleek dat we ‘slechts’ negen maanden samen zijn. Koppels worden samen ondervraagd maar volgens de maatstaven van Schiphol zijn wij slechts vage kennissen.

Onze backpacks worden uit de stalen kar getrokken en met de tassen op onze rug volgen we een behaarde man in uniform richting een kelder van de luchthaven. Een bleke jongen van begin twintig sjokt verveeld achter ons aan. Zijn vriendin woont in Tel-Aviv en hij ondergaat deze gastvrije behandeling eens in de twee maanden. In de kelder moet ik toezien hoe mijn zorgvuldig ingepakte tas wordt leeggeschud. Mijn handdoek, mijn ondergoed, mijn toilettas, mijn slippers, mijn tijdschriften, mijn brillenkoker, mijn slaapzak, mijn bikini, mijn sokken, mijn trui, mijn spijkerbroek, mijn pyjama, mijn klamboe, mijn notitieboekje, mijn drop, mijn lenzenvloeistof. Een tweetal honden besnuffelt mijn spullen terwijl de bebaarde man met een wattenstaafje langs de rits van mijn voorvakje strijkt. Ik mag gaan zitten terwijl mijn vriend achter een gordijn zijn broek en vest uitrekt. De man ritst zijn tas vast open. Hij haalt er een boek uit tevoorschijn. Zijn gezicht vertrekt. Op de omslag ‘JIHAD’ in goudkleurige letters.

Een studieboek en een zakmes lichter, wachten we stilletjes op vertrek. Tegenover ons leest de bleke jongen een Hebreeuwse Donald Duck. Hij grinnikt. Ik strik mijn veters die eerder ruw uit mijn schoenen werden getrokken. In een taal die ik niet versta wordt iets omgeroepen. Mensen staan op, hun paspoort in de hand.  Ze dringen. Ik blijf zitten. Kijk ze na. Pas als er nog eens wordt omgeroepen, dringender nu, staan we op. Ik vraag me af of mijn bikini weer is ingepakt. Mijn vriend trekt me mee. Op naar het beloofde land.