Diklip & Blauwrug

Deze zomer werd ik wakker in een tent op een veldje genaamd ‘de giraffe’. Ergens onder de rivieren. Er was een festival in de regen met biologische patat en bier in plastic bekers waar statiegeld op zat. Ik werd wakker naast het blonde krullenmeisje en schoot in de lach. Zo weergaloos jong en zinderend als we gisteren dansten over heuvels en in propvolle tenten, zo gehavend waren we ontwaakt.

Struikelend over scheerlijnen baanden we ons een weg tot in de rij voor de douches. Ik hield me staande aan een wasbak, het blonde krullenmeisje ging even zitten op de bemodderde tegels. Wat was iedereen hier lelijk. En de uitzonderingen die met appelrode wangen en gladgeschoren benen reeds hun tanden poetsten, die hadden potverdrie vast niet zo’n leuke nacht gehad als wij.

Onder de douche werden onze oorlogswonden pas goed zichtbaar. Het blonde krullenmeisje lachte zich een appelflauwte om onze blauwe ruggen en ons gebrek aan enige herinnering. Toen ik mijn haren kamde en een grote pluk daarvan niet langer vast aan mijn hoofd bleek te zitten, kreeg ik van schrik de hik. Tijdens het tandenpoetsen werd duidelijk dat zich achter mijn dikke lip een halve tand verschool. Naast mijn tand bleken ook mijn neuspiercing en lievelingsoorbel te zijn achtergebleven in het feestgedruis. ‘Dit is zo’n ochtend die je pas op pensioensgerechtigde leeftijd echt gaat waarderen,’ verzuchtte ik. De wasbakmeisjes knikten eensgezind en gingen voort met hun renovatiewerkzaamheden. Felrode lipstick ging van hand tot hand en in de hoek kotste iemand hartstochtelijk in een doucheputje.