De dag dat de wereld

De wereld is vergaan. Een laatste zondvloed. Als enige overlevenden een man, een vrouw en een vogel in de lucht. Twee ledikanten tikken zachtjes tegen elkaar in het eindeloze water. De vrouw ligt op haar buik, in haar flanellen pyjama. Ze staart de diepte in. De man opent zijn ogen en blijft roerloos liggen. Hij ziet haar. De zon prikt en hij sluit zijn ogen.

De man denkt het te begrijpen. De zondvloed als grote reiniging. De wereld heeft zich willen ontdoen van zijn meest fanatieke parasiet: de mens. Hij staat op en trekt de vrouw overeind. Haar bed kantelt. Ze klampt zich aan hem vast. Hij beweegt hun armen naar achter en weer naar voren, hun knieën licht gebogen. “We springen.” En dat zo’n laatste man dan van alles beweren kan. Dat de wereld een kans verdient, zonder de mens. En dat zo’n laatste vrouw dan voor de laatste keer haar kont tegen de krib gooit. Dat zij, heel nobel, pleit voor een hernieuwde kans voor de mensheid. Dat hun overleven wellicht geen vergissing maar juist de bedoeling is. Dat zij oppert te wachten tot er ergens een stukje, een beetje aarde droogvalt om vanuit daar opnieuw de wereld te bevolken. Dat zij zich opoffert als nieuwe oermoeder en zal baren, zal baren tot zij uitgerekt en leeggezogen is. En dat het haar, diep van binnen, niet kan verrotten of die hele mensheid nou wel of niet overboord slaat, maar dat zij deze man aan zich probeert te binden omdat zij in vredesnaam niet alleen, niet alleen wil zijn.

Ik vraag me af of wij het zouden redden samen. En ik realiseer me dat ik degene ben die hysterisch overboord dreigt te springen terwijl jij de ene na de andere spartelende vis binnenboord hengelt en de vogels uit de lucht grijpt met je zonverbrande armen. Ik zie zo voor me hoe je een touwtje aan een meeuwenpoot bindt en hem Felix noemt en hoe gelukkig ik zal zijn met mijn huisdierkameraad, voor wie ik een hoedje vouw tegen de zon. En dat ik je dan pas echt leer kennen. En vergeet hoe vaak je dronken thuiskwam en hoe je mijn witte jurk met je nieuwe FC Utrecht rode sjaal verwaste tot Barbie-roze. En hoe alles plots onbelangrijk geworden is nu je me voedt met verse vis en me warm houdt met je bruine lijf. Nu ik soms per ongeluk stop met denken hoe alles beter kan maar mezelf er op betrap dat ik alleen maar ademhaal en naar je kijk, zonder daar iets van te vinden. En natuurlijk denk ik aan de plannen die ik had. Een huis, een hond, een boek. Een zee vol mannen om uit te kiezen. Maar misschien is het zo slecht nog niet als al die keuze plots vervalt en het enige wat mij rest een bootje is, een bedje is, met een man en alleen de kleren die ik droeg op de dag dat de wereld verging.