VOORDRACHT ‘Een goed mens’

‘Hans Achterhuis en Maarten van Buuren schreven samen het boek Erfenis zonder testament en bieden vanavond aan de hand van korte filmfragmenten en afbeeldingen, eigentijdse, onverwachte en filosofische perspectieven op de traditionele tien geboden.  De avond wordt afgesloten door een column van levensbeschouwelijk theaterschrijfster Sara van Gennip. Presentatie door Colet van der Ven. ‘ – De Nieuwe Liefde, woensdag 30 september 2015

Mijn voordracht voor deze bijzondere avond over geboden, verboden en ons verlangen naar een moreel boodschappenlijstje, lees je hier: 

EEN GOED MENS

Hier sta ik, met klam zweet en een bonkend hoofd, mijn best te doen mens te zijn. Ik voel mijn tenen tintelen. Een warm gevoel kruipt omhoog, doet mijn knieën knikken tot mijn maag begint te knijpen. ‘Ik wil zo graag een goed mens zijn’, fluister ik. Een meneer schuift zijn stoel iets verder naar voren, plaatst zijn hand op zijn kin.‘Ik wil graag een goed mens zijn én een gelukkig mens. Dat zijn twee hele essentiële dingen en elke dag zijn ze met elkaar in conflict.’ De meneer rolt met zijn ogen. Nu niet opgeven, doorgaan. ‘Ik doe heus mijn best, dat beloof ik u, maar het is soms zo ontzettend moeilijk om het tegelijk te zijn. Kijk, dat geluk dat herken ik meestal nog wel, bij vlagen, maar dat goede, dat blijft maar transformeren.’ Ik veeg wat zweet van mijn voorhoofd en waag een poging tot een glimlach. Iemand stopt een dropje in haar mond, een ander verlaat de zaal om nooit meer terug te keren. ‘Ik wil zo graag een leidraad, een handleiding, een houvast, een rots, een hand, een boodschappenlijstje… daar zou ik al heel blij mee zijn. Dat ik weet wat ik in huis moet halen, in huis moet hebben, zodat u naar mij kijken kunt, opgelucht ademhaalt en zegt: kijk, daar staat er een, een goed en gelukkig mens.’ Ik knik en door mijn hoofd flitsen beelden van 28 jaar aan regels, wetten en geboden waar ik mij aan heb vastgeklampt om ze vervolgens door mijn vingers te laten glippen.

Ik word geboren en moet meteen heel hard huilen. Mijn kop rood, mijn ogen nat en mijn tong een lillend lapje vlees in mijn tandenloze mond. Onbekende handen trekken een mutsje over mijn kale schedeldak en schuiven me een couveuse in. Daar lig ik dan, voor het eerst te ‘zijn’. Nog geen flauw benul van goed of kwaad, van geluk of pijn, van dromen of angst of gedachtes over wat het betekent een mens te zijn. Ik haal adem. Voor het eerst lucht die longen in. Een hart dat bonkt, een maag die knijpt. En maar huilen, heel hard huilen, waardoor de wereld weet dat ik besta.

Eenmaal thuis krijg ik een blauw pakje aan met een grote gele smiley op mijn buik. Mijn vader laat een druppel melk vanuit een flesje op zijn pols vallen, om te voelen of het niet te heet is. Mijn broer aait met één vinger voorzichtig mijn wang. Voor het eerst ervaar ik iets van een gradatie in geluk. Ik ervaar honger, dorst, donker, licht, warmte, kou, liefde. Het leven was hier al, raast aan mij voorbij en ik, ik ben net begonnen en doe nog voor spek en bonen mee. Anderen stellen zichzelf regels om met mij om te gaan: niet te lang, niet te luid, niet te laat, niet te veel haar zin. Ik sta buiten de regels van deze kleine gemeenschap. Ik huil, ik drink, ik slaap. Af en toe lach ik, per ongeluk, dat resulteert in geknuffel wat ik prettig vind waardoor ik probeer expres te lachen. Ik lach, zij lachen, ik lach harder. Mijn eerste streven als mens: gelukkig zijn.

De punten van mijn roze gympen wijzen naar een hoek van het klaslokaal. Mijn voorhoofd druk ik tegen de muur, die koel aanvoelt. Ik ben zeven en ik heb straf. Inmiddels heb ik kennis van goed en van kwaad, van regels en van grenzen. Grenzen die als elastiek om mij heen gespannen zijn: tot hier en niet verder. De uitdaging is die grenzen zo ver mogelijk op te rekken. Niet te ver want zo flexibel zijn ze niet en als ze knappen dan doen ze dat genadeloos hard in je gezicht. Aldus sta ik vijf eeuwige minuten naar een muur te staren, voor de juf mijn naam noemt en ik terug naar mijn bankje mag. In mijn schrift schrijf ik met vlekkerige vulpen: ‘niet zingen tijdens de rekenles’. In dit schriftje verzamel ik gedragsregels die mij een goed mens maken. Er zijn regels voor thuis, voor op school, voor bij oma, voor bij het buitenspelen, voor in het zwembad, voor bij de leukste jongen van de hele wereld, voor op vakantie en een paar speciale voor tijdens de feestdagen. Mijn tweede streven als mens: goed te zijn, wat ik op deze leeftijd nog dikwijls verwar met gehoorzaam te zijn.

Hosanna, in de gloria en amen: mijn ouders zijn gescheiden en in een nieuwe formatie bezoek ik wekelijks de kerk. Het is fantastisch. Er is een boek met alle antwoorden, een meneer die exact weet wat ‘een goed mens’ is en omdat ik nieuw ben mag ik helpen de kaarsen aan te steken. Voortaan deel ik voor het slapen gaan al mijn angsten en wensen met God, wat een soort vader is maar dan alwetend. Na drie keer kerkbezoek heb ik mijn schriftje met de honderd regels voor allerhande situaties uit het raam gegooid. Er zijn er namelijk maar tien. En zo eenvoudig ook. Deze regels zijn best te handhaven. Alleen aan dat liegen en het jaloerse kan ik nog wel wat werken. Maar deze regels snap ik, dit spel kan ik spelen op het allerhoogste niveau. Ik schrijf de tien geboden netjes onder elkaar, teken er een bloemetje bij en hang ze boven mijn bed.

Jaren later gris ik datzelfde lijstje van de muur op een nacht dat ik niet alleen slaap. Diezelfde nacht gebruik ik Gods naam op niet-bepaald-eerbiedige wijze en een maand later wens ik voor het eerst iemand dood. Ik trap een gat in de schutting van de buren en schreeuw tegen mijn ouders dat het onmensen zijn om mij op deze hel van een wereld te plaatsen. Ik steel een zonnebril om mijn betraande ogen te bedekken, ik neem een bijbaan op zondag, ik spoel een levende goudvis door de wc, ik flirt met Boeddha, ik lieg en bedrieg. In de pubertijd breek ik in sneltreinvaart de tien geboden tot de grond toe af. Ik ben geen goed mens en ik ben niet gelukkig.

Na de toneelschool besluit ik filosofie te studeren. Ik heb goede hoop dat de vakken rondom ethiek, waarin ik leer over goed en kwaad, mij eindelijk inzicht kunnen bieden in mijn queeste een goed mens te zijn. Een koude kermis. Als ik hier iets leer dan is het wel dat ‘de waarheid’ en ‘het goede’ niet bestaan. Alles is verdedigbaar, alles is betwijfelbaar. Wanhopig probeer ik me nog aan te sluiten bij een groepje Camus-fanaten of Bentham-voorstanders, in de hoop iets van berusting te vinden in hun ideologie. Wanneer ik ’s nachts niet slapen kan realiseer ik me dat ik alle mogelijke autoriteiten heb opgebruikt: mijn ouders, de juf, God, vrienden, werkgevers, de overheid, filosofen, theologen, iconen, idolen. Ik heb mij getoetst aan hun regels, ze opgevolgd, verworpen, vervangen en afgedaan. Ik blijk mijn eigen autoriteit en dat is doodeng.

Hier sta ik: met een bonkend hoofd en een kloppend hart, mijn best te doen een goed mens te zijn. Mijn maag knijpt, mijn tong ligt in mijn mond als een ruwe lap vlees. Ik kijk om me heen, zoek naar een houvast. Omdat ik het niet weet, geen antwoorden heb, geen boodschappenlijstje heb weten op te stellen. In de hoek kijkt iemand verlangend richting bar, een ander telt zijn geld voor de aanschaf van het boek. Goede mensen zijn het, denk ik. Gelukkige mensen. Mensen die begrijpen dat we samen voortploeteren en dat geen enkel gebod zaligmakend is. Maar ook mensen die begrijpen dat weggooien zonde is, dat een erfenis er niet alleen is om op te maken maar ook om door te geven. Mijn knieën knikken. Ik adem in, uit, in. Ik denk aan het schriftje dat ik had toen ik zeven was, aan mijn vader die zijn stem verheft, aan de boeken die ik las, de mensen die ik sprak, aan de tien geboden boven mijn bed. Dat ze weliswaar niet allemaal meer op mij van toepassing zijn: ik heb god als de mens even lief en mijn jaloerse aard maakt dat ik altijd iets heb om naar te streven. Maar ze zijn er, die geboden, en ik ken ze. En dat ik mij realiseer dat ze ieder jaar, en ieder leven, te herinterpreteren zijn, dat beschouw ik zowel als vloek en als zege. Wij zijn onze eigen autoriteit en dat is doodeng. Hier staan wij: mensen met hoofden vol geboden en harten vol verlangen, vastberaden zowel goed als gelukkig te zijn.