ROJAVA – Het Westen de Beste?

Op woensdag 27 januari was ik te gast bij Felix in de Steigers, tijdens de debatavond ‘Het Westen de Beste’.

“Welke waarden zien wij hier in het Westen als we in de spiegel kijken? Waarschijnlijk zijn we trots op onze democratie, onze vrijheid van meningsuiting, de gelijkwaardige positie van man en vrouw… Maar wat ziet het Midden-Oosten als zij naar ons kijkt? Hoe is het om in Afghanistan op te groeien, waar buitenlandse militairen alweer 15 jaar de dienst uit maken? Wat voelt een Libanees die een aanslag overleeft en Facebook alleen maar gevuld ziet met de Franse vlag? En welke indruk laat ons boerkaverbod eigenlijk bij de vrouwen in deze regio achter?” – http://www.felixmeritis.nl/agenda/912-het-westen-de-beste/

Rojava militairen.

Ik opende deze avond met een tekst, gebaseerd op een foto van twee vrouwelijke militairen uit Rojava. Over orde in de chaos en liefde te midden van haat. De tekst lees je hier:

ROJAVA

Sara van Gennip – Felix ‘Het Westen de Beste’, 27 januari 2016

“Sorry”. Mijn vader staat in de deuropening, zijn hoofd licht gebogen. Samen met mijn drie broers zit ik aan tafel. Het eten op onze borden is koud, onaangeroerd. “Sorry? Sorry?” Mijn moeder staat op en kijkt mijn vader strak aan. Met één hand maakt ze haar hoofddoek los. Haar zwarte krullen vallen langs haar gezicht, een lok blijft hangen voor haar oog. Wij houden onze adem in. “Sorry”, zegt mijn vader nog een keer. Mijn moeder pakt een bord eten van tafel. Traag loopt ze naar hem toe, drukt het in zijn handen. “Gooi het stuk”. Haar stem klinkt kil. Mijn vader kijkt haar niet begrijpend aan, schudt zijn hoofd. “Gooi het stuk.” Hij kijkt naar ons en weer naar zijn vrouw. Dan naar het bord in zijn hand. Vinger voor vinger laat hij het los. Rijst spat op, aubergine glijdt over de tegelvloer. Ik tel de scherven: het zijn er zeven. “Zeg er dan sorry tegen” fluistert mijn moeder terwijl ze hem strak aan blijft kijken. “Sorry” fluistert nu ook mijn vader en hij richt zijn blik op de grond. Wij volgen zijn blik, naar de scherven op de vloer. Maar hoe lang we ook keken en hoe vaak mijn vader er ook sorry tegen zei: het bord werd nooit meer heel. Die avond leerde ik dat het woord ‘sorry’ niets betekent. Het onrecht dat mij is aangedaan wordt nooit meer recht. Iets wat stuk is maak je nooit meer heel. Toch kunnen we niet zonder ‘sorry’. Niet zonder berouw en niet zonder de hoop en de wil het de volgende keer beter te doen. Het duurde even, voor ik dat begreep.

Toen ik klein was waren mijn dromen groot. Ik wilde de wereld zien, nee, de wereld zijn. Leeuwen temmen, geld verdienen. Een huis zo groot als een paleis, een medicijn ontdekken tegen sterfelijkheid. Een kameel in de achtertuin en een vliegtuig op het dak. Mijn dromen waren groot, groter, grootst tot langzaam, onder mijn shirt, twee lijnen zichtbaar werden, twee kleine heuvels. En toen op een dag, ik was dertien jaar en de zon scheen alsof ze de hele wereld in vuur en vlam probeerde te zetten, op die dag van buikpijn en gedoe: op die dag veranderde er iets. Op die dag veranderde alles. Op die dag degradeerde ik van mens tot vrouw. Plots was ik een potentiële broedfabriek. Een risico maar ook iets kostbaars, iets dat je beschermen moet. Mijn moeder wierp een sluier over mijn haren en mijn broers sloegen de buurjongen een bloedneus toen hij naar me keek. Ik was een vrouw nu. Mijn vader had zich hier vanaf mijn geboorte druk over gemaakt. Liever had hij alleen zoons gekregen. Dat was hem drie keer gelukt maar de laatste, ik: helaas, een meisje. ‘Helaas’ want een meisje, een meisje gaat uiteindelijk ergens een keer dansen en ontmoet dan de een of andere malloot die een kus wil in de een of andere ongure steeg. Ja, een meisje, een meisje is zo kwetsbaar, snap je, een meisje kan kapot maar een jongen: een jongen die kun je ’s nachts gewoon over straat laten lopen. Een jongen: die redt zich wel. En ik, ik werd bang. Bang dat ik niet meer zou kunnen worden wat ik zou willen zijn. Bang dat ik dit lijf niet zou kunnen ontstijgen. En na de angst kwam de haat. De totale minachting voor al wat man was, voor al wat zichzelf niet kon beheersen, voor al wat dacht mij te moeten beschermen. Ik zag het om mij heen: steeds weer werd de eer van een vrouw door een man gebroken én gewroken. Alsof ik alleen niet mens genoeg was, altijd afhankelijk van de grillen van de ander. Ik denk dat mijn land zich lang zo gevoeld heeft: een speelbal tussen vijand en bondgenoot, waarin ze nergens ooit meer zichzelf mocht zijn.

Tussen de brokstukken van wat eens ons huis was schuifelt mijn moeder heen en weer. In de ene hand een bezem, in de andere een vuilniszak. Één muur staat nog overeind. Met mijn hand glijd ik langs de deurpost. Kleine potloodstreepjes om onze lengte mee aan te duiden. Het hoogste streepje komt tot aan mijn schouder. Mijn moeder komt achter me staan, slaat haar armen om me heen. “Sorry”, zegt ze. En hoewel wij beiden weten dat sorry niets betekent, niets beter maken kan, zeg ik het ook: ‘sorry’. Tegen mijn moeder, tegen ons huis dat geen huis meer is, tegen dit land dat kreunend en steunend in scheuren uiteen valt. Mijn moeder pakt haar bezem op, veegt puin aan kant. Omdat je ergens beginnen moet met de orde in de chaos.

Dat ben ik, op die foto. Rechts van mij zie je Noura. Noura kreeg drie maanden geleden een granaatscherf in haar oog. Ze draagt zo’n lapje nu, als van een piraat. Ze is daar behoorlijk trots op. Bij het zien van deze foto vraagt niemand ooit naar Noura. Dat komt omdat ik scherper ben, denk ik. Omdat een fotograaf op een fractie van een seconde van een willekeurige dag dat zo bepaald heeft. En van die ene op die andere willekeurige dag werd ik symbool voor iets dat groter is dan mijzelf, groter is dan ik kan bevatten. Mijn huid is uitgerold tot spandoek. Ik ben geknipt, geplakt, gekopieerd, tot een mal gereduceerd. Op een dag kom ik voorbij op een mok, een T-shirt, een koelkastmagneet. En mensen zullen vragen waarom ik zo boos kijk, zich afvragen of ik mijn wenkbrauwen epileer, mij een naam geven die nooit de mijne is. Voor je het weet ben ik van iedereen, terwijl ik juist zo hard probeer om van mezelf te blijven.

Samen met mijn moeder kom ik aan in Rojava. Het verbaast me dat het echt bestaat. Het is een beetje zoals in zo’n zombiefilm: dat de hele wereld geïnfecteerd is en het gevaar van alle kanten komt en dat een klein groepje dan op zoek gaat naar dat ene fort, die ene plek waar het veilig is. Die plek is Rojava. Ik zie vrouwen met geweren en op een plein maken twee kinderen een kunstwerk van lege kogelhulzen. Uit een oud schoolgebouw klinkt gezang. Als ik naar binnen kijk zie ik mannen op hun knieën, hun kruin gericht naar Mekka. Maar ook mannen met hun blik gericht naar de hemel, terwijl ze een kruis slaan voor hun borst. Het is alsof de regenboog hier heeft ingeslagen: zoveel verschillende kleuren zie ik op straat en zoveel verschillende geuren stromen mij tegemoet uit de kapot geschoten huizen. Hier bestaan geen mannen, geen vrouwen, geen Koerden, geen Turken, geen moslims, geen christenen, geen ouderen, geen kinderen, geen lelijke, geen knappe, geen studenten, geen militairen: hier bestaat de mens. Iedereen is hier iedereen. En voor het eerst in mijn hele leven voelt dat best wel veilig: om niet alleen van mezelf, maar ook van elkaar te zijn.

Ja, ik heb gehaat. Ik heb alles gehaat wat anders was dan mijzelf. Ik heb mannen gehaat, die mij wilde breken en wilde wreken. Mijn moeder gehaat, zoals alle dochters ooit hun moeder haten. Mijn dromen, omdat ik het lef niet had ze uit te laten komen. De mensen die mijn land willen zien branden, die heb ik gehaat. De mensen die alles beter weten, die heb ik gehaat. De vliegtuigen die bommen gooien. De vliegtuigen die geen bommen gooien. De mensen die mij schouderklopjes geven terwijl ze geen flauw idee… ooit, omdat sommige dingen niet voor te stellen zijn. Ja, ik heb gehaat. Maar het put je uit, het maakt je zwak. Dit wapen draag ik niet vanuit die haat. Dit wapen draag ik vanuit de liefde voor deze plek, deze mensen, die te midden van deze hel een hemel hebben gebouwd. Omdat je ergens moet beginnen met de orde in de chaos en de liefde in de haat.