NOMINATIE Lowlands Schrijfwedstrijd

Deze zomer schreef ik het korte verhaal BRAAKNACHT voor de Lowlands Schrijfwedstrijd. Onder het pseudoniem Marthe Loomans behaalde ik de shortlist, waarmee ik twee vrijkaarten won voor Lowlands en met knikkende knietjes mocht plaatsnemen op de bank van de Lowlands Bookstore XL (Literair Productiehuis Wintertuin). Juryvoorzitter Ronald Giphart maakte de winnaar bekend: Erik Winter met zijn verhaal ‘Het korte, nare leven van Arnold Scheepmaker.’ Vervolgens kreeg ik boeken, bemoedigende schouderklopjes en veel te veel champagne.

De twintig beste verhalen zijn GRATIS te downloaden via itunes: itunes.lowlands,schrijfwedstrijd

Mijn 1200 woorden vol seks en kots en nihilistische liefde lees je hier:

BRAAKNACHT – Marthe Loomans

Hier sta ik: een meisje met klam zweet en een blauwe bek, bovenop een bar. Ik kijk gelaten om me heen, adem zachtjes voor me uit. Iemand grijpt mijn voet vast. Ik kijk ernaar, voel mijn tenen tintelen. Een warm gevoel kruipt omhoog, doet mijn knieën knikken tot mijn maag begint te knijpen. ‘Soms ben ik zo bang dat ik niet besta’, fluister ik. De man aan mijn voeten glijdt met zijn hand langs mijn been omhoog, richting mijn rok. Ik kijk omlaag, op zijn vriendelijk kalende schedel. Zijn vingers vouw ik tot een vuist waarmee ik kleine klopjes op mijn dij geef. De massa mooie mensen om mij heen danst als één lijf, zuchtend en stotend. In de hoek breekt een glas, bij de deur vertrekt iemand om nooit meer terug te keren. Niemand ziet het meisje op de bar. Niemand weet dat ik besta. Ik laat me iets zakken tot de vuist van de man ontdekt dat ik geen broekje draag. Hij kijkt op. Hij ziet me.

Deze avond begon op het medewerkersfeest van een of ander ludiek theaterfestival. Zo eentje waar je wordt uitbetaald in bier en tonggeworstel. Bij de entree drukt iemand een vettige stempel op mijn pols zonder me aan te kijken en een ander stopt me twee zweterige plastic muntjes toe. Binnen blijkt de vloer bezaaid met pingpongballen, opblaasbare flamingo’s en hunkerende lijven. Aan het plafond blazen bellenblaasmachines sop in mijn gezicht. Buiten, op het terras, staat een klein kraampje tjokvol stroop en suiker. “Hey, pannenkoekenbakker!” schreeuwen handgeschreven vodjes op de muren, met grote groene pijlen richting kraam. Ik, opnieuw de liefde van mijn leven verloren, klok mijn twee muntjes achterover en begin te dansen. Ik lach mijn wangen rood en mijn ogen dof. Ik zoen een pianist op het toilet en geef mijn nummer aan de man die mij rijkelijk bestrooit met poedersuiker.

Wanneer de bellenblaasmachines nog enkel water tuffen en alle pingpongballen gedeukt of verdwenen zijn, beland ik samen met de enige beminbare manspersoon op een sofa in de hal. Ik heb mij voorgenomen vannacht nog met iemand het bed te delen. Deels om de brokstukken van onze liefde voorgoed te versplinteren, deels uit geile baldadigheid. De man op de sofa vraagt me naar mijn favoriete armageddon, mijn doemscenario om deze faalwereld ten onder te laten gaan. Ik kijk hem aan en besluit dat ik hem mag. Hij legt zijn hand op mijn buik, schuift omhoog tot aan het randje van mijn bh. Ik sluit mijn ogen. Mijn maag begint te knijpen, mijn bek ziet bleek. Teugen lucht zuig ik mijn longen in. Ik open mijn ogen, kijk hem aan. ‘Een zondvloed’, besluit ik. Hij knikt. Samen fantaseren wij een laatste zondvloed, een grote reiniging. Hoe al wat mens of dier of levend is, wordt opgeslokt door hoge golven, eindeloze regen. Hoe alleen wij samen zullen overleven, op twee ledikantjes op een uitgestrekte zee. Twee vreemden te water en een meeuw in de lucht. ‘En dan springen’, zegt de sofajongen. Ik schud mijn hoofd. Hij houdt vol. Dat de wereld een kans verdient zonder de mens. Dat we moeten springen, als uitvoering van ons ideaal. Ik schud opnieuw mijn hoofd, pleit voor een nieuwe kans. Offer mij op als oermoeder voor een nieuwe mensheid. Dat ik zal baren, zal baren tot ik uitgerekt en leeggezogen ben. Hij knikt, slaat een jas om mij heen en tilt me op. Kennelijk was dit voorspel.

Achterop zijn fiets vermengt de regen zich met mijn tranen. Ze spoelen weg, drogen op. Ik vraag me af of wij het zouden redden samen, jij en ik, als laatsten. En ik realiseer me dat ik degene ben die hysterisch overboord dreigt te springen terwijl jij de ene na de andere spartelende vis binnenboord hengelt en de vogels uit de lucht grijpt met je zonverbrande armen. Ik zie zo voor me hoe je een touwtje aan een meeuwenpoot bindt en hem Felix noemt en hoe gelukkig ik zal zijn met mijn huisdierkameraad, voor wie ik een hoedje vouw tegen de zon. En dat ik je dan pas echt leer kennen. En vergeet hoe vaak je dronken thuiskwam en hoe je mijn witte jurk met je nieuwe FC Utrecht rode sjaal verwaste tot Barbie-roze. En hoe alles plots onbelangrijk geworden is nu je me voedt met verse vis en me warm houdt met je bruine lijf. Ik denk aan jou en hoe een zondvloed ons had kunnen redden, terwijl ik een trap opstrompel naar een nacht die ik snel vergeten zal. De sofajongen blijkt een man in een rijtjeshuis met boterhammen in zakjes en sokken met daarop de dagen van de week. Als ik de kleren van mijn lijf stroop en me op handen en voeten de vergetelheid in neuk, dan denk ik aan jou. Aan jouw zongekloofde vingers tussen mijn rib en heup. Aan jouw blik als ik al tandenpoetsend je boterhammen probeer te besmeren met kaas en aardbeienjam. Aan hoe je achter me komt staan en even aan mijn haren trekt tot het een beetje pijn doet en dat ik dan weet, alleen dan echt zeker weet, dat ik besta. Ik trek mijn kleren aan en vertrek. Buiten wordt het licht in een stad die ik nooit eerder zo zag en ik moet me dwingen te blijven snakken naar adem. Ik sla straten in, steek ze over, tot ik ergens een café vind met een bar om op te staan.

Hier sta ik: een meisje met een bonkend hoofd en een kloppend hart. Tegen mijn kruis druk ik de vuist van een kalende man die nog steeds niet geheel van die schrik bekomen is. ‘Soms ben ik zo bang, dat ik niet besta’ fluister ik. De man kijkt naar zijn vuist, lijkt zich niet te durven bewegen. Ik zwijg. Mijn maag knijpt, mijn tong ligt in mijn bek als een ruwe lap vlees. Ik bedenk me dat ik het liefst boeken lees tegenover een spiegel, zodat ik af en toe op kan kijken om mijn eigen bestaan te bevestigen. Ik herinner me dat ik je vroeg zo vaak mogelijk mijn naam in mijn oor te schreeuwen. Ja. Soms ben ik zo godvergeten bang dat ik niet besta. Nee, dat ik nooit bestaan heb. Dat mijn hele leven bijeengelogen blijkt, het verzinsel van een fantast.  Mijn leven staat in dienst van mijn eigen onsterfelijkheid. Het schrijven van een boek, het baren van een kind. Ergens een afdruk, een bewijs dat ik er was. Ik wankel. De vuist tegen mijn kruis valt uiteen in vingers die mijn been vastgrijpen, me staande houden. Achterin het café slaat een arm om een schouder, valt een hoofd in een nek. Buiten wordt het licht en ik weet niet waar je geslapen hebt vannacht. De mensenmassa voor me beweegt als één lijf, als een harnas waarin ik alleen mijn eigen gezicht weerspiegelt zie. Niemand ziet het meisje op de bar, niemand weet dat ik besta. Ik wankel, knik door mijn knieën. Mijn maag zet uit, jaagt golven door mijn lijf. Zweet staat op mijn kop en mijn bloed trekt weg uit mijn gezicht. Ik zet mijn handen op mijn bovenbenen, mijn ellebogen wijzen opzij. Ik adem in, uit, in. Lucht, lucht die longen in. Mijn maag schiet richting keel, mijn tong trekt zuur. In golven klatert al mijn inhoud op de bar, voor een ieder te zien. De massa kijkt op, kijkt me aan. Ik besta verdomme, ik besta.